promo_banner

Реклама

Читайте только на ЛитРес

Книгу нельзя скачать файлом, но можно читать в нашем приложении или онлайн на сайте.

Читать книгу: «Karolingsche Verhalen»

Шрифт:

VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE

Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd. Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag, door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning, dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen, Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en hare onsterfelijke Grootheid, noch de enthuziasten, die het axioma verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der verwen, naar hunne recepten bereid."

Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de Heemskinderen uitgaf.

Ik vlei mij – behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen – nog in andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn, – niet in waardeering van het meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik: kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij, – u behoor ik: want gij neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de Heemskinderen in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid, verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der Renaissance verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet wijzer? – Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.

Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der Heemskinderen, gebruik te maken van het fragment van den roman, dat het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels een vertragend hors-d'oeuvre, deels een smakeloze beschimping van den Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6 – 21 mij geleerd, dat ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar schande, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant, nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl. 138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben (v. 62 – 66):

 
"Die coene entie starke Roelant
… ghemoete saen Ritsaert;
Biden togle hine aneprant."
 

Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk, het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den Madelgijs1, de Heer J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.

Bij mijn bewerking van Floris en Blancefloer had ik beschrijvingen, die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen (waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.

Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van Carel en Elegast en Floris en Blancefloer met mij na te zien, en mij menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn hartelijken dank.

Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik Karolingische in Karolingsche(met den hoofdklemtoon op Ka) veranderen zou: "die i", zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze meervoudsuitgang Karolingers, Merovingers, Saksers, enz. Karoling staat in vorming met Jongeling, vreemdeling enz. gelijk. 't Is een echt Nederlandsche vorm. Den uitgang -isch kennen wij alleen bij vreemde woorden en namen, als Aziatisch, historisch, mythologisch enz. Maar van zijdeling maken wij zijdelingsch, van Harling(en) en Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche. Dus ook Karolingsche. Kaarlingsche zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden, omdat wij nu eenmaal aan Karolingen gewend zijn. Mij dunkt, het wordt tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."

Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang koetsier geen koetser wordt, en woorden als vriendin, martelares enz. bestaan blijven, zoo lang aziatiesch zich handhaaft, —karolingische mij zoo geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.

A.Th.

Amsterdam, 3 Juni 1873.

Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.

De Uitgevers.

CAREL EN ELEGAST.
AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.)

Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen: luistert met aandacht!

Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom toe.

Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning ontwaakte, op de lieflijke stemme.

"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de Heere des Hemelrijks, beval mij – u dit, op verbeurte van lijf en eere, te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt te paard."

De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen! God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij, en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.2 Wat behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."

Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen – vaart uit stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten. Ik zal een dief zijn – al is het schande; al zoude ik bij de keel gehangen worden. En toch – ik had oneindig liever, dat God mij alles ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land – mijn riddersrusting uitgezonderd – dat ik mij met den schilde en met den spere den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op avontuur: – dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!..

"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was, al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven! Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen, zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij vreemd en onbekend is?"

Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.

Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot, noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand zag hem – want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.

Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.

Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was. Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder gerucht noch geluid naar buiten.

Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen – zoo waarlijk gij u aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden – zoo waarlijk zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte, u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn – zoo zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u verlaat ik mij geheel!"

Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel; het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten, die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik iemant om een weinig geld doe sterven.

'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk, dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust. Die ze huisvesting schonk – ik zoû hem beide burcht en leen doen verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters – waar hij ze betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben: zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud, waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van hun klinkende munt – beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij; niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God, helpt mij daartoe!"'

Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild, dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed. Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig vermoeden, dat het de Duivel ware – om dat hij overal zoo zwart was. Hij beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het avontuur wagen. Nochtans – ik weet het van te voren – 't is de Duivel en niemant anders. Kwame hij van Gods wege – hij zoû zoo zwart niet zijn. 't Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'

"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant, die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste, die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'

Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene nam den andere op van top tot teen – maar anders deden zij niet. Toen de ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus voorbij en vermijdt te spreken? … Groeten deed hij mij niet, toen ik hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!.. Ik houd het er voor, dat hij iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?

'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen: licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'

Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem achterhaald had, riep hij luide:

"Staat, Ridder! – waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert! Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het mij – dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur, heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."

– "Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten – dan dat ik mij tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen – wij zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"

Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond, voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij de Koning was.

Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.

Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.

De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken vloog als een lindenblad.

De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.

De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op het hoofd, vol schaarden en spleten – zoo scherp was de snede der zwaarden.

'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou ik mijn naam bekend maken – eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer verwierve ik eere!'

Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem, dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.

Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.

Op dit gezicht – dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei, dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen? Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"

Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan verweeren.'

Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens weerzijds, wie ze toch wezen mochten.

"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder – zoo hebt gij uw laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht – ik zal u heen laten rijden."

De zwarte sprak: "Ik ben bereid – mids gij begint, met mij kond te doen van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij zoekt."

Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij – dan zal ik u zeggen, wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."

– "Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"

Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder," zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en bij Hem-zelven het eerst – van mij staat u geen leed te wachten! en ook ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel." – "Welnu dan, Heere," antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters – kunnen hun knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen? Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor – kon ik mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had door te staan. – Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."

En de Koning dacht bij zich-zelven:

'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben, Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."

– "Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"

– "Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te stelen – in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van alles, ik laat niemant met rust – den rijke noch den arme. Ik let op hun kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe – eer de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen. God zoû het ons niet misduiden – hadden we er een deel van. De schat ligt in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd pond van – 't zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen; bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn? Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen – en gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."

Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede. Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."

Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol geladen."

Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte Heer. Dede ik hem iets anders dan eere – ik zoû het mij voor God moeten schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"

Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij zich-zelven – 'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'

Na deze overweging vraagde hij aan Elegast – 'of deze hem ergends anders wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij betreft – gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû hij aan het leven en de eere staan – ging alles naar zijn wensch: dat kan ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding – burcht en leen – aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht – het zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen – zoo ge wilt – zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven, dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De Koning vergat zijn rol geen oogenblik.

Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op, gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit was geraakt.

1.Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, in 1861.
2.De plaats hier omschreven (… van den Donau ten Oosten af, … Gallicië en het land van Spanje…) houdt Dr. Jonckbloet voor ingeschoven.
Возрастное ограничение:
12+
Дата выхода на Литрес:
28 мая 2017
Объем:
290 стр. 1 иллюстрация
Правообладатель:
Public Domain